De Overige 4-20Ma-Uitgangsinstellingen Configureren; Pak Aanpassen Voor Troebelheid Met Profibus (Optioneel); Een Controle Van De Kalibratie Uitvoeren - Hach PAH500 Manual Del Usuario

Ocultar thumbs Ver también para PAH500:
Tabla de contenido

Publicidad

Idiomas disponibles
  • ES

Idiomas disponibles

  • ESPAÑOL, página 119

4.3.1 De overige 4-20mA-uitgangsinstellingen configureren

Configureer indien nodig de andere instellingen van de SC1000-controller voor de 4-20mA-uitgang
(bijv. SCALE 0mA/4mA (0MA/4MA), SET HIGH VALUE (20MA INSTELLEN) en SET LOW VALUE
(0/4MA INSTELL.)).
1. Selecteer SC1000 SETUP (SETUP SC1000) > OUTPUT SETUP (UITGANG SETUP).
2. Selecteer de uitgangskaart (bijvoorbeeld mA OUTPUT INT (mA UITVOER INT)).
3. Selecteer de 4-20mA-uitgang (bijv. OUTPUT 1 (UITGANG 1)).
4. Configureer de 4-20mA-uitgangsinstellingen. Raadpleeg het hoofdstuk Instelmenu uitgang in de
gebruikershandleiding van de SC1000-controller voor beschrijvingen van de instellingen.
Opmerking: Wijzig de instelling SELECT SOURCE (KIES) niet. Dit is de naam van de formule voor
troebelheidscompensatie voor PAK.

4.4 PAK aanpassen voor troebelheid met Profibus (optioneel)

Als de SC1000-controller over de optionele 4-20 mA uitvoerkaart beschikt, de optionele Profibus-
module is geïnstalleerd en er een troebelheidsmeter is aangesloten op de SC1000-controller, is de
voor troebelheid gecorrigeerde PAK-waarde beschikbaar via de Profibus-uitgang wanneer de
volgende stappen zijn uitgevoerd.
1. Voer de stappen
PAK aanpassen voor troebelheid met 4-20mA-uitgang (optioneel)
uit.
2. Selecteer SC1000 SETUP (SETUP SC1000) > NETWORK MODULES (NETWERK MODULES)
> PROFIBUS-DP > TELEGRAM > INPUT VALUE (INVOERWAARDE) > INPUT VALUE
1 (INVOERWAARDE 1).

4.5 Een controle van de kalibratie uitvoeren

Meet regelmatig als volgt een kalibratiestandaard om te bepalen of de sensor nog steeds is
gekalibreerd:
1. Reinig de sensor. Raadpleeg
losgekoppeld.
2. Plaats het meegeleverde ventiel in de fitting aan de onderkant van de sensor. Zorg ervoor dat het
ventiel gesloten is.
3. Spoel de sensor als volgt met gedeïoniseerd water:
a. Vul de sensor met gedeïoniseerd water.
b. Open het ventiel om het gedeïoniseerde water uit de sensor te verwijderen en sluit het ventiel
vervolgens weer.
4. Meet de fenantreen-equivalentstandaard als volgt:
a. Plaats de inhoud van de ampul in de lege kuvet. Houd de bovenste rand van de ampul tegen
de bovenste rand van de kuvet om de vloeistof in de kuvet te laten trekken.
b. Gebruik een pipet om de sensor de vullen met de kalibratiestandaard.
c. Open het ventiel om de fenantreen-equivalentstandaard uit de sensor te verwijderen en sluit
het ventiel vervolgens weer.
d. Gebruik de pipet om de sensor de vullen met de kalibratiestandaard.
e. Breng een stop aan in de fitting aan de bovenkant van de sensor.
f. Wacht tot de waarde als respons in de verwachte waarde is veranderd (maximaal
60 seconden) en registreer de meetawarde.
5. Als de gemeten waarde meer dan ± 5 % verschilt van de waarde van de fenantreen-
equivalentstandaard, kalibreer de sensor dan met de optionele kalibratiekit. Raadpleeg
punts kalibratie uitvoeren
Opmerking: PAK = gekalibreerde PAK × SCALE FACTOR (SCHAALFACTOR). De instelling SCALE FACTOR
(SCHAALFACTOR) past de PAK-meetwaarde aan met een vermenigvuldigingsfactor (0,01 tot 9,99, standaard:
1,00). Raadpleeg
De sensoreenheid configureren
218 Nederlands
De sensor reinigen
op pagina 220.
op pagina 215.
op pagina 225. Houd de monsterslang
op pagina 216
Een 2-

Publicidad

Tabla de contenido
loading

Tabla de contenido